| loans |
![]() |
Sportfjild17 |
![]() |
![]() | ||||
Op weg naar Pasen.Posted at 11:30 on 13/3/2010
Op weg naar Pasen. Zeker in de eerste jaren van mijn predikantschap, viel de tijd voor Pasen mij zwaar en kon ik van het Paasfeest moeilijk een feest maken. Een van de redenen was wel dat in de hele beleving van Pasen en ook alles wat daaraan voorafgaat, de lichamelijke opstanding van Jezus een pijnpunt was. Ik poneerde het soms krachtig van de kansel, dat Pasen iets anders is dan het levend worden van een lijk. In gesprekken met mensen, bleek de lichamelijke opstanding dan toch zo feitelijk beleefd te worden, dat ik mij ver van mijn gemeenteleden verwijderd voelde. Ik beleefde het zo anders, maar had, naar mijn gevoelen, niet de creatieve kracht om dat onder woorden te brengen. Dat is eigenlijk wel een beetje zo gebleven. Mogelijk dat het mij daarom nu weer door mijn hoofd spookt. Ik geloof wel dat ik een stukje verder ben gekomen. De beleving van Pasen kreeg zijn plaats in het totaal van beleving van geloof, beleving van de Bijbel , beleving van G’d. De vraag naar het bestaan van G’d raakt mij nauwelijks omdat ik in G’d mijn bestaan beleef. Ik beleef het als een zegen dat ik in vertrouwen leef en dat dat voor mij positieve levenskracht is/oplevert/voortbrengt/ in mij legt/mij schenkt. Ik ervaar de Bijbel als een door de eeuwen heen gegroeid geloofsdocument een bibliotheek van menselijke makelij, maar dan zoals muzieknoten genoteerd zijn als menselijke werkzaamheden, maar die verhalen, die woorden, die boeken hebben op een mystieke wijze deel aan wat veel meer is dan de woorden. De bijbel is voor mij de partituur, die geïnterpreteerd kan en moet worden en “ tot toon” gebracht inclusief alle vreselijke valse klanken die er in ontstaan. De verhalen hebben deel aan wat “buiten” onze dimensies uitgaat Het tellen dat moet worden tot “ontelbaar”. Zo ongeveer Daarom noem ik ook de bijbel van harte : Woord van God. Neem nu maar het bijna afgezaagde scheppingsgedicht uit Genesis 1 Ik beleef het als een geweldig intermezzo/basisverhaal , als je vandaag over het leven en de wereld en de schepping gaat nadenken en daarin een weg zoekt. Een gecreëerde werkelijkheid, natuurlijk met daarin evolutie . De Beagle vaart uit om nog meer te weten te komen over waar het allemaal van vandaan komt . Weet je waar ik mij liever over verbaas : Dat het er allemaal is, en dan natuurlijk met alle donker en licht door elkaar en tegelijk Daar vertelt ook dat eerste gedicht in de bijbel over dat het donker is Het donker is , de onvrede is, de pijn is, het verdriet is, daar weet de Prediker over mee te praten. Maar er is lichtgekomen/gebracht/ontstaan/ gecreëerd. Het Licht is geen vraag ,het is. Ik ben er vanmorgen in wakker geworden Ik heb zo ook geleerd om Pasen te beleven en te geloven als het feest dat de dood niet de beheersende en bepalen kracht is in het leven en in de kosmos. In het verhaal van de Opstanding gaat het om de opstand tegen alles wat dood is in het leven en alles wat doodgemaakt wordt in het leven, alles wat zich dood voelt in het leven. Ik leer het bij stukjes en beetjes beter te geloven dat Pasen vieren is het LEVEN met hoofdletters beleven en aanvaarden en accepteren en aangaan en uitproberen en genieten en nog zo een reeks werk –en beleefwoorden. Pasen als de inspiratiebron dat ik het leven sterker moet achten dan de dood. Zoiets kan je toch zelf niet verzinnen ,als mens die zeker weet dat je zult sterven. Zalig Paasfeest dus toch en elke zondag is al een beetje Pasen toch . Een lichte,blije zondag hoop ik op!
Ja,ja!Posted at 11:21 on 11/3/2010
Als ik “ja, ja” zeg betekent dat meestal dat ik niet precies weet, wat ik moet denken en wat ik wil zeggen. Ik wil wel “ja” zeggen maar ik kan en wil het toch eigenlijk ook niet. Ja, ja, is dat je in een spagaat raakt en dat is voor een wat oudere man een vrij moeilijke zaak. Ik was er voor en wil er voor zijn dat in de Kerkorde van de Prot Kerk in Nederland het onverkort staat dat de verbondenheid met het volk Israël onopgeefbaar is. De vraag die bij dat “onopgeefbaar’ opkomt is : Waar gaat dat dan precies over ? Wij werden er jaren geleden mee geconfronteerd toen wij in Ommen, in een zaaltje van de kerk, exegese onderricht van een rabbijn volgden. Wij waren een aandachtig gehoor en spanden ons in de lijnen die hij uitzette te volgen en te begrijpen. Het was uitermate leerzaam en wij namen ons voor om daar in de manier waarop wij met de Schriften van het Eerst Verbond om gingen serieus mee te rekenen Als dan een dominee een vraag stelde, die ook maar een beetje christelijk getint was, dan was de rabbijn zeer absoluut. “Dat is mijn gebied niet, daar kan ik niets over zeggen,daar gaat het nu niet over”Hij wilde de vraag niet eens verstaan, was mijn indruk. Op de terugweg naar Zwolle kroop de rabbijn bij ons in “de Eend” de ramen besloegen door de verhitte discussies die wij dan voerden. Ik hield er een onaangenaam gevoel aan over. Bij de onrust die er nu ontstaan is tussen groepen Joden en de leiding van de Prot. Kerk in Nederland over de brief die gestuurd is naar de ambassadeur van Israel kom ik dezelfde houding van bepaalde groepen joden tegen. Het lijkt er op dat door deze groepen onopgeefbare verbondenheid wordt geïnterpreteerd als slaafs volgen. Een weerwoord of een kritische vraag wordt niet toegestaan, wordt niet gehoord Onopgeefbare verbondenheid met een volk moet als basis toch iets van wederzijds respect en vriendschap hebben, lijkt mij. Eenzijdige onopgeefbare verbondenheid kan niet bestaan Als je de ander op gaat, leggen wat hij/zij moet denken en zeggen ontbreekt respect. Deze gebeurtenissen brengen mij bij een “ ja, ja”. Kan het eigen wel, dat wij als christelijke kerk zeggen dat wij onopgeefbaar met het volk Israel verboden zijn. Een groep joden kwam bij elkaar in een zaaltje van een kerk in Doetinchem . Voordat de synagogale dienst begon werd er een doek over het kruis gehangen. Sommige kloven zijn niet te overbruggen,kennelijk. Onopgeefbaar is absoluut. Is het een brug te ver ? Ik kom niet verder dan een “ ja, ja”!. De resolute houding van de vertegenwoordigers van de PKN t.a.v de brief , heeft mijn hartelijke instemming.
DataPosted at 12:02 on 9/3/2010
Data glijden vaak aan mij voorbij, ze hechten niet in mijn geheugen. Verjaardagen en andere feitelijke zaken, ik moet er steeds weer aan herinnerd wordenen, ze ontgaan mij daarna weer snel, telefoonnummers moet ik altijd weer in de gids opzoeken. Het is een genot dat er nummers in de telefoontoestellen kunnen worden opgeslagen. Ik ben ook slecht in het vasthouden van bijv de nummers van de psalmen en andere bijbel teksten, daarbij was de komst van computerhulp voor mij een genot. Bij de data zijn er echter uitzonderingen, ik zal ze niet allemaal opnoemen, het blijft bij 2, gisteren en vandaag, 8 en 9 maart. Die twee data staan in mijn geheugen gegrift en zij staan voor nacht en dag, donker en licht, dood en leven. Op een-8 maart stonden wij in het ziekenhuis en wij zagen een prachtig mooi kindje, het was met spanning verwacht. Hij leefde niet. Wij staan 10 jaar later aan zijn grafje, daar staan wij elk jaar. Het verdriet valt weer over ons heen. Zijn zusje zegt: “Hij zou vandaag, denk ik, een play-station op zijn verjaardag hebben gekregen”. Wij proberen aan elkaar iets van onze gevoelens te tonen, maar het lukt maar ten dele. De 8e maart is een donkere dag, een datum waar de dood aan is gehecht. 9 maart is voor mij een datum waar het leven aan is gehecht. Op een 9e maart werd er een nieuwe hartklep in mijn hart aangebracht. Het was een ingrijpende operatie en het blijft een ingrijpend gebeuren. Het had zo anders kunnen gaan, want ik had geen klachten, maar de “oude” klep was zo verhard dat niet meer functioneren dichtbij was. Ik bedenk mij op elke 9e maart ,meer dan anders, dat het leven een geschenk is. Vandaag schijnt de zon en dat voel ik ook. Ik geniet van het leven. Data waar dood en leven aan gehecht zijn, zijn in mijn geheugen gegrift.
Armen blijven er !Posted at 17:29 on 4/3/2010
De woorden uit het Marcusevangelie waar Jezus zegt: want de armen zijn altijd bij u en jullie kunnen weldaden aan hen bewijzen, maar Ik zal niet altijd bij u zijn (. Marcus 14: 7) schoven mijn gedachten-veld binnen. Ik heb het boek: Het pauperparadijs, van Suzanne Jansen gelezen. Het lag al een tijdje te wachten en na een avond waarop de schrijfster over dit werk vertelde, maakte dat ik het beslist niet langer liet liggen. Het is een aangrijpend boek, een familiegeschiedenis. De familiegeschiedenis verdiept zich en wordt een tijdsdocument waarin de armen en de armoede schrijnend aan de orde komt. De betrokkenheid van Suzanne Jansen, het is de geschiedenis van haar eigen familie en haar bijzonder verteltrant maakt het tot een boeiend boek, een bestseller. Over arme mensen , mannen en vrouwen die leefden in 19e en de 20e eeuw gaat heb boek. Het gaat ook over de wijze waarop door de overheid probeerde om het probleem van de armoede op te lossen. Het project dat opgezet werd doorJohannes v.d. Bosch in de Koloniën van Weldadigheid in o.a Veenhuizen, wordt beschreven De beschrijving confronteert de lezer echter met het uitzichtloze probleem van de armen en de armoede. De schijfster van dit geweldige document is gelukkig zelf aan de armoede ontsnapt, maar het probleem van armen en armoede is nog hartstikke aanwezig in onze tijd en ook in onze samenleving. Armoede is een onoplosbaar probleem en elke generatie en elke tijd heeft zijn eigen verschijningsvorm ervan. Ik word mij daar wekelijks bewuster van nu ik de mensen bezoek die een aanvraag hebben ingestuurd om in aanmerking te komen voor een voedselpakket. Er zijn jongeren en ouderen die het niet redden en die het aan middelen ontbreekt om goed en gevarieerd voedsel te komen. In vergelijking met de armoede die in “ Het pauperparadijs” wordt beschreven zijn er zeker grote verschillen , er zijn minder armen en de omstandigheden waaronder zijn moeten leven zijn minder verschrikkelijk en minder mensonterend, dat is waar maar de situaties waar ook mensen nu in te leven hebben zijn in zeker opzicht ook mensonterend. De woorden van Jezus spiegelen de keiharde wereld van ons mensen ,waarin het kennelijk niet mogelijk is om de armoede uit bannen, Het is en blijft een realiteit dat er armen zullen zijn met die realiteit worden wij geconfronteerd door Jezus’ woorden. Jezus doet echter meer dan constateren , lees ik in het evangelie. Hij zegt, zo versta ik het, de armen zijn jullie blijvende zorg. Die woorden moeten vertaald in een politiek programma in sociale politieke besluiten maar ook het opzetten van een voedselbank behoort tot die opdracht,geloof ik. Er is in Friesland een wethouder die zegt dat een voedselbank er niet behoort te zijn ,daar ben ik het helemaal mee eens Maar het bij die constatering laten en niet mee willen werken aan het opzetten van een voedselbank .likt mij niet wijs.Ik geloof toch dat het wijzer is om er mee voor te zorgen dat mensen twee keer per maand een voedselpakket krijgen, waardoor er mogelijk eens iets extra’s op tafel kan worden gezet. Armoede is een blijvend probleem je moet het eigenlijk niet willen geloven maar dat is te weinig!
Terug naar SocratesPosted at 19:19 on 28/2/2010
Het lezen van een bijzonder theologisch werk met de titel: “De kwestie God” van de hand van Karen Armstrong, met als ondertitel: De toekomst van de religie, bracht mij terug bij Socrates. Was ik eerder bij deze wijsgeer van ruim 400 jaar voor Christus. Ja, dat was ik. Tijdens de vooropleiding voor de studie theologie, moesten wij iets van de Griekse taal leren. In die taal is immers het Nieuwe Testament geschreven. Bij die confrontatie met de taal moesten wij enerzijds de grammatica leren doorgronden en tegelijk werd er zodra wij een bepaalden hoeveelheid woorden en begrippen ons eigen hadden gemaakt begonnen met het lezen en vertalen van teksten. Een geschrift dat aan ons werd voorgelegd door prof Anne Jippe Visser was: “De Apologie van Socrates”. geschreven door Plato. In dit boekje beschrijft Plato de verdedigingsrede van Socrates . Socrates moet verschijnen voor het gerecht op de beschuldiging dat hij de goden ontrouw is en een nieuw valse leer voorstond. Ik zocht mijn schrift met de vertaling die toen tijdens het college werd gemaakt weer op. Ik heb dat schrift sinds 1968 netjes bewaard maar nooit weer ingezien. Het herlezen van de vertaling bracht mij ook weer terug bij het gevoel dat ik bij het opschrijven van die vertaling had. Waarom terug naar Socrates?. In haar boek beschrijft Karen Armstrong in een breed perspectief door de eeuwen heen over religie en spiritualiteit. Religieuze stromingen, de ontwikkelingen er van op allerlei wijze worden in een scherpe en niets onziende analyse gevangen en de ook tegenstand er tegen wordt ragfijn beschreven. De beschrijving in een breed spectrum leidt tot een visie op ontwikkelingen in het verleden en het heden. Ik heb er het volgende uit “ overgehouden” nadat ik het boek had neergelegd. Karen Armstrong zegt o.a , volgens mij, (de wijsheid naar Socrates) : De ultieme wijsheid is dat wij niet absoluut kunnen weten. Socrates zegt voor zijn rechters : De hoogste wijsheid die ik bezit is het weten dat ik niets weet. De ontwikkeling van het menselijk denken is op de weg gegaan van het absolute weten. Zowel op het gebied van de godsdienst als op het gebied van de wetenschap is het ”weten” verhoogd tot het hoogste en daarbij wordt de grens van het absolute overschreden Geloof en theologie is voorwerp geworden van deze posivistische gedachten kracht . Theologen, gelovigen beweerden absoluut zeker te kunnen stellen en beweren en verwarden geloof en wetenschap. Evenzeer werd in psychologische sociologische en filosofische stroming het absolute weten ( de rede) tot het hoogste verklaard en ook daar wordt een grens overschreden Het resultaat is dat gelovigen absoluut gaan spreken over het bestaan van God en dan niet gelovigen absoluut gaan spreken over het niet bestaan van God . Karen Armstrong wijdt in haar boek een hoofdstuk aan : het niet weten. Zijn schaart zich achter Socrates. Het menselijk zijn, denken en redeneren heeft grenzen, daarover heen is het “niet weten” maar ook brengt ze in dat leven zoveel meer is dan “ weten”. Zij zegt ( door mij samengevat) : wat moet je in de beleving van muziek met “redelijk weten” en in het beleven van en het geven van liefde en geluk, blijdschap en vriendschap ,verwondering en tederheid ? Er is veel meer dan “weten” Ik mijmer nog eens bij een zinnetje van Socrates uit mijn vertaling . toen ik die man observeerde, o mannen van Athene en toen ik met hem sprak bleek het mij dat die man scheen wijs te zijn aan vele andere mensen, maar bovenal aan zichzelf, maar het in feite niet was En vervolgens trachtte ik hem te tonen dat hij meende wijs te zijn en het niet was …. Bij mijzelf bedacht ik toen ik wegging, dat ik wijzer was dan deze man, want geen van ons beiden scheen iets te weten, deze echter meende iets te weten en wist het niet. Ik meen het niet,zoals ik ook niets weet. Ik schijn althans juist hierin een klein beetje wijzer te zijn als deze man, dat wat ik niet weet ik ook niet meen te weten.
IntakerPosted at 12:06 on 18/2/2010
Op zondag a.s. de 21 februari 2010 ben ik in een Taizé viering toch weer een beetje voorganger. Dus moet er nagedacht worden. In die dienst zal ik maar een paar zinnen zeggen. Twee korte stukjes uit de Bijbel lezen en de aanwezigen uitdagen tot concentratie en zelf- mediteren aan het begin van de Veertigdagentijd. Hier doe ik dat ook maar even. Ik lees Lucas 4: 1-4. Jezus, in de woestijn uitgedaagd – maak van stenen brood. Een machtsmiddel, kan ” mensen te eten geven worden” – “ geef ze brood en je hebt ze in je macht” dat is dus een duivels dilemma Het antwoord van Jezus is: De mens leeft niet van brood alleen. Als je zoekt naar die woorden in het boek Deuteronomium ( 8: 3) dan stoot ik mij eigenlijk wel aan die woorden. Mozes laat weten hoe geweldig G’d wel niet geweest is voor het volk in de woestijn in negatieve en positieve zin, Hij liet jullie hongerlijden en gaf manna Zo maakte hij u duidelijk dat een mens niet leeft van brood alleen maar van alles wat de mond van de Heer voortbrengt ( uitgaat) Wat moet je nu toch met zulke woorden in onze tijd en in onze situatie.? Ik stoot tegen het denken over het machtig zijn en het macht doen gelden van G’d op en verwijder mij van Mozes in de woestijn. Ik denk dat Jezus dat ook doet. De uitdaging om de macht te grijpen en zich machtig te doen gelden, weerstaat hij, heeft Hij weerstaan zo vertelt Lucas Mozes’woorden krijgen een andere lading , als ze door Jezus worden overgenomen , geloof ik De vraag die ik nu aan mij zelf stel is : hoe kom ik hier en nu dichterbij de woorden, als ze uit Jezus’ mond komen. Bij deze woorden komt een recente ervaring , die ik nog niet eerder had Sinds een aantal weken ben ik intaker bij de Voedselbank. Dit vrijwilligerswerk brengt mij in een machtspositie of ik het nu wilt of niet. Aanvragers die boven de norm ( basis – leefgeld voor voedsel) zitten moeten worden afgewezen. Ik voel mij ongemakkelijk bij deze macht maar weet tegelijk dat het noodzakelijk is om regels te stellen en te handhaven. Macht dragen,al is het nog zo onbeduidend, stelt je altijd voor het duivelse dilemma. Het probleem is niet het macht dragen, dat moet en daar ontkomt geen mens aan , maar het hanteren van macht. Als ik nu de woorden van Jezus nog eens lees , dan zet ik toch een streep onder - niet alleen . Je laten gelden is niet het probleem maar de wijze waarop je je laat gelden. In het duivelse dilemma moet ik mij maar niet te snel van Jezus verwijderen , als ik weer intaker ben ,denk ik.
Leven en doodPosted at 18:03 on 16/2/2010
Leven en dood Het verwart mij wel als ik de ravage van de treinbotsing in België op de t.v zie Ik maakte de ramp bij Harmelen mee in 1962. Twee treinen botsten op elkaar. In de eerste wagon die nog op de rails stond zat ik. Als ik beelden zie van de mensen die Verdwaasd weg lopen van de plaats van het onheil dan komt er weer iets van die ontreddering in mij terug Ik ben niet gewond geraakt, ik heb er geen trauma van overgehouden. Maar wel raakt deze herinnering aan de discussie die er op dit moment weer wordt gevoerd over het recht tot zelfdoding. Ik zou volgens de mensen die deze discussie op dit moment weer aanzwengelen tot de doelgroep behoren, aan wie het recht toe zou komen om zelf het moment van je levenseinde te kiezen. Ik ben er mij goed van bewust dat het maar weinig anders had behoeven te gaan en ik had bij de doden van Harmelen moeten worden geteld Ik heb nog wel meer rand – ervaringen ,de laatste nu bijna 3 jaar geleden toen er een n met enige haast een nieuwe aorta klep in mijn hart moest worden gezet. Langs deze rand ervaring heen ben ik een gelukkig mens, die geniet van zoveel goeds en fijns en liefdevols. Ik weet dat mijn leven eindig is en ook dat de beste jaren achter mij liggen, maar ik wil deze levenstijd gewoonweg niet vullen, met gedachten dat ik rechten zou moeten laten gelden op mijn dood. Ik heb wel wat anders te doen. Daar komt nog iets bij Ik val van harte Prof Maneschijn bij in een artikel in Trouw van 15 februari 2010 (Podiumpagina) Ik vat het artikel op mijn wijze samen.: Val anderen niet lastig met jou zelfdoding – dood willen. Ik heb het in mijn pastorale leven het meegemaakt dat er in uiterste situaties werd overgegaan tot euthanasie. Ik heb het begrepen en meegevoeld en ik zeg er geen verkeerd woord over. Maar ik ben blijven denken aan degenen die de definitieve stap moest faciliteren en uitvoeren. Ik denk het nu nog – dat je dat eigenlijk niet mag vragen dat je dat niemand aan mag doen. Ik moet mijn dood sterven, er zit niets anders op, denk ik nu en ik hoop ook dat dat zo blijft Leven daar wil ik op gericht zijn, in de Gloria.
Geworteld , ontworteldPosted at 20:23 on 12/2/2010
Op een wat slordige manier ga ik met kranten om. Ik laat mijn ogen over de bladzijden dwalen en schiet dan als een roofvogel naar beneden op een regel of een citaat af. Die regel of dat citaat is dan soms aanleiding om het hele artikel te spellen. Soms blijft het bij het opnemen van dat ene citaat en ga ik daar mijn eigen weg mee. Vandaag ( vrijdag 12 februari 2010 ) overkwam het mij, dat mijn oog viel op een regel in een artikel over de theoloog Kees Waaijman. Ik heb moeite om hem te volgen in zijn wijze van omgaan met bijbelteksten, maar daar gaat het nu even niet over. Hij zegt in dit interview :” Ik zie (wel) een ontwikkeling waarin men onkritisch anti-traditioneel is.” Bij die woorden gaan er bij mij heel wat bellen rinkelen Verzet tegen de traditie, ik denk dat dat een belangrijke reden is voor de afname van kerkelijke betrokkenheid. De jongere generatie van nu de 20ers de 30ers en de 40ers maakt/maakte zich los van heel veel dat in hun jeugd in de gezinnen waarin ze opgroeiden regel was. De relatie met de kerk, mee beleven van kerkdiensten, meedoen aan kerkelijke activiteiten het meedenken en meespreken in kerkelijke zaken een grondpatroon bij het uitspreken van gebeden etc, mee beleven van de kerkelijke rituelen, die zaken daar werd in veel gevallen afscheid van genomen. Op zich is dat, zo denk ik erover, niet dramatisch. Je kunt vragen stellen bij heel veel wat in het verleden als gewoon en noodzakelijk werd aangemerkt, Elke zondag naar de kerk, altijd aanwezig bij kerkelijke bijeenkomsten, bij elke maaltijd bidden en danken etc. Gewoonten en gebruiken ook in de kerk en in het geloofsleven, kunnen en moeten kritisch beschouwd worden, dat is voor mij een duidelijke zaak. In het citaat van Kees Waaijman staat echter onkritisch anti traditioneel zijn. Kritisch zijn t.a.van zaken, die in het verleden als vaststaand golden, dat is normaal. Maar het wordt een dramatisch gebeuren als het onkritisch gebeurt, als het verleden met alles wat daar in is zomaar bij het grof vuil wordt gezet. Voor iedere generatie is het van belang om je er bewust van te zijn dat je geworteld bent in een traditie bijv in de christelijke – kerkelijke traditie . Daar kritisch tegenover staan , is oké, maar dan is de volgende vraag Waar en wat zijn de zaken, kerkelijk,gelovig,maatschappelijk waar jij je anker in uitgooit, Waar hecht jij aan en waar bouw jij op , wat draagt jou in je denken en doen en vooral waar laat jij je door inspireren bij de keuzes in je leven. Een nieuwe generatie heeft het recht om eigen wegen te gaan in een traditie, daar moeten ouderen zich van bewust van zijn ,zeker in de kerk, denk ik. Een traditie zonder dynamiek van de toekomst, zal verdwijnen, hoe waardevol die ook wordt ervaren door mensen Wij zouden het wat mij betreft het wel eens wat vaker met elkaar kunnen hebben wat ons drijft en inspireert want daar gaat het volgens mij om in een traditie.
Trainen en aftrainenPosted at 13:39 on 10/2/2010
Dienaar van het Woord, dat is het ambt dat ik draag. In dat ambt ben ik op 3 oktober 1976 bevestigd in de Nederlandse Hervormde Kerk met als standplaats de Hervormde Gemeente te Oudwoude, Westergeest, de Triemen en Veenklooster. Als ambtsdrager kreeg ik toen functie van Gemeentepredikant en werd vanaf dat moment door de mensen om mij heen met dominee aangesproken en voor mijn naam stonden de letters Ds. In mei 2001 heb ik de functie neergelegd maar ben het ambt blijven dragen .Ik heb nu als ambtsdrager de rechten van een emeritus Een manco in de regels van de kerk is dat niet precies is, welke bevoegdheden aan het emeritaat zijn verbonden Er is nu enige beweging om daar verandering in te brengen. Samen met anderen heb ik aan deze zaak bijgedragen en ga daar nog mee voort. De weg naar het ambt is zorgvuldig vastgelegd, een universitaire studie een procedure voor de toelating tot het ambt, een bevestiging met handoplegging door collega’s Aan het andere uiteinde is het neerleggen van de functie van gemeentepredikant goed geregeld maar het ambt neerleggen is geen procedure voor, In de kerk is veel aandacht voor de training van dienaren van Woord, er is geen aandacht voor het aftrainen, zou je kunnen zeggen Mijn trainingstijd duurde ongeveer 13 jaar. Daa in moest nogal wat trainingsarbeid worden verricht. Het begon met bijspijkeren van mijn achterstand in vooropleiding.Het HBS A staatsexamen moest worden afgelegd, daarna moest ik mij kennis van het Grieks en het Latijn eigen maken, Dat was vooral rijtjes stampen en woordjes leren. Daardoor werd het mogelijk ,onder leiding, oorspronkelijke teksten van Plato over bijv het leven en de denkbeelden van Socrates te lezen en mij te verdiepen in de Brieven van Seneca. Daarbij kwam toen nog het leren lezen van Hebreeuws. Daarbij moet je naast dat het vreemde tekens zijn, zoals het Grieks, ook nog van rechts naar links leren lezen. Een grondige training ter voorbereiding van het lezen van het Oude en Nieuwe Testament. Het was natuurlijk een vreselijk gedoe, dat leren van die talen, maar het heeft mij er voor eens en altijd bewust van gemaakt dat de Bijbel lezen training van diverse zaken behoeft en dat de vertaalde teksten die wij in het Nederlands lezen, altijd interpretaties van teksten zijn. Vertalen is interpreteren. Als je als voorganger in een gemeente werkt, dan verschil je van de meeste anderen, dat je een training in lezen van de Bijbel hebt gehad en dat je enig inzicht hebt in talen waarin de bijbel oorspronkelijk is geschreven En ander onderdeel van de training die ik als heel waardevol heb ervaren is dat je inzicht krijgt in de soort teksten en de achtergrond teksten van de bijbelboeken en bijbelteksten . Naast talen en teksten is de beginfase van de studie ook erg gericht op het leren zien hoe er door de eeuwen heen gesproken en gedacht is door vooral filosofen en theologen.. Leren nadenken en leren gedachten te doorgronden, daar werden wij in getraind. De weg naar het Dienaar van het Woord ,worden was intensief en zwaar, maar voor mij wel heel waarde vol. Het was ook een leerschool voor het leven. Hervormd erfgoed !Posted at 13:32 on 6/2/2010
Nu ik aan ‘zo denk ik erover” begonnen ben, begin ik mij te realiseren dat ik van tijd tot tijd ook wel in moet gaan op ontwikkelingen die zich voordoen op het kerkelijk erf. Ik heb altijd gemeden om de kansel te gebruiken als een soort podium voor mijn bijv. Politieke en maatschappelijke standpunten. Als er een beetje goed geluisterd werd dan had men toch wel in de gaten dat ik sociaal democraat was. Het werd wel herkend dat ik een rooie dominee was, maar ik bazuinde dat niet rond. Binnen de kerk heb ik mij nooit tot een groep “bekeerd” Toen ik jaren geleden een keer mee deed aan een radiodiscussie voor predikanten van diverse denominaties,stonden er achter mijn naam xxxx en dat vond ik eigenlijk heel mooi. Ben ik dan zo ’n grijze muis? Dat wil ik niet zijn. Mijn grootste ergernis is dat mensen elkaar in Godsnaam aan de kant zetten en afstraffen en buiten sluiten als het gaat over geloven en kerk zijn. Ik wordt er niet goed van ( hoewel ik er part noch deel aan heb) als in een krantenartikel melding wordt gemaakt dat er in Dalfsen deze week een vergadering was van een groep Vrijgemaakt Gereformeerden die zich vanwege de ‘liberale ‘opvattingen , van anderen afscheidt Het is helaas waar dat het gereformeerd –protestantisme en ook de evangelische stroming het beeld vertoont van een repeterende breuk Ik vindt dat heel erg. Ik ben er daarom blij om dat, hoewel ik het boek van collega Hendrikse, een geschrift met een akelige toon vind en hij, in het media optreden, mij niet sympathiek is, de zaak tegen hem is stopgezet. Daarmee heeft de Classis Zeeland van de Prot Kerk in Nederland deze week een stuk hervormd erfgoed erkend De zaak Hendriks stond haaks op wat “ hervormd’was De Nederlandse Hervormde Kerk was een belijdende kerk , maar in de geschiedenis was het duidelijk dat je over dat “ belijden” altijd in de weer blijft. De “waarheid als een blok beton bestond niet in die kerk .Het was een kerk met “ vleugels”,de Vrijzinnigen waren er naast/tegenover de GereformeerdeBonders. Wij kenden “ de kwestie Smits” over de verzoening en de predikanten van het Hersteld Verband, die de ezel van Bileam niet echt hadden horen spreken, kregen een plaats onder de Hervormden. De uitdrukking van ds Buskes over gelovigen, paste goed op de Hervormden : “Het is net een zoodje ongeregeld, en dat is maar goed ook want dan pas ik er ook bij!” Het was in deze kerk mogelijk om predikant te zijn in het midden van de kerk , die zich niet bekeerde tot de groep van vrijzinningen maar er wel veel sympathie voor had. Je kon ook ’ niet gebonden zijn, open naar diverse opvattingen Ik was mentor voor de Vrijzinnige Hervormden in de NOP als gemeente predikant in de wijkgemeente Centrum, in het midden van de kerk , maar wel hard tegenover de groep die meende in Gods naam te kunnen zeggen dat de vrouw niet in het ambt hoorde. Ik lees in deze dagen een boek met de titel “De kwestie God” van Karen Armstrong. Voor liefhebbers een aanrader. Zij heeft 500 bladzijden nodig om iets van helderheid te verschaffen over het spreken over God door de eeuwen heen over het rond van de aarde Daaruit een paar zinnen van en over Dionysius de Areopagiet, hij leefde eind 5e begin 6e eeuw .“Religieuze mensen praten altijd over God en het is ook belangrijk dat ze dat doen, maar ze moeten ook weten wanneer ze moeten zwijgen. Dionysius maakte de monniken en priester bewust van de grenzen van de taal .Wij moeten goed luisteren naar wat wij zeggen over God. God heeft in de bijbel 52 namen. Het is gemakkelijk om te ontkennen dat God geen rots, geen zacht briesje, geen krijger of schepper is Wij krijgen het moeilijker bij de meer conceptuele beschrijvingen maar moeten die ook ontkennen . God is niet groot of machtig, hij is niet licht,de waarheid, ons voorstellingsvermogen, de goedheid zelve ,zelfs niet goddelijk. Wij kunnen niet zeggen dat God bestaat want onze ervaring van bestaan is enkel en alleen gebaseerd op individueel. begrensde wezens wier manier van zijn in geen relatie staat tot het zijn zelf. De realiteit die wij God noemen is niet dit , niet dat , maar onpeilbaar anders. ” Veel later noemde Rudolf Otto God : Der gans Andere. Kijk daar raak ik nu niet over uitgedacht.
Een titelPosted at 12:11 on 4/2/2010
Iedereen kan zich dominee laten noemen en de titel ds voeren want het is een onbeschermde titel. Het woord dominee en de titel komen niet voor in de Kerkorde van de Prot. Kerk in Nederland, ik denk in geen enkele kerkorde. Er is hier dus sprake van gewoonterecht en gewoontevorming. Evenmin is er een voorschrift dat er door een dominee een ambtskleed of toga moet worden gedragen, ook daarover vind je niets in de kerkorde. Hierbij dus ook gewoontevorming, iedereen kan zijn eigen verhaal hebben bij het wel of niet dragen van een toga . Zo is het ook met de mode t.a.v de toga. Jaren lang was het in veel kerken regel dat als er een toga werd gedragen het een zwarte was. De witte toga heeft terrein gewonnen zeker in de Protestantse kerk in Nederland. In het ruime veld van gewoonten en gebruiken t.a.v de titel en de toga is er het vaste punt dat het voeren van de titel en het dragen van de toga binnen een kerkgemeenschap verbonden is met het ambtsdrager zijn. Het ambt waar dan de titel en de toga bij wordt gevoegd in de kerk waartoe ik behoor is – dienaar van het Woord. Er is een weg om tot dat ambt te worden toegelaten. De eerste voorwaarde is dat er een voorgeschreven universitaire studie is afgerond. Daarvoor is het noodzakelijk om tentamens af te leggen en examens te doen etc. Voor de afgestuurde theoloog, tegenwoordig een master, is er daarna de procedure voor toelating tot de evangeliebediening. Er moet een preek worden ingeleverd bij een commissie en er volgt een gesprek. De afloop van het gesprek is meestal dat de kandidaat wordt gevraagd om zich in toekomstige ambt te binden aan belijden van de kerk zoals het verwoord is in Artikel 1 van de kerkorde. Met dat ‘ja’ ben je dan , binnen de Prot.Kerk in Nederland , kandidaat en beroepbaar als “dienaar van het Woord. Als een kerkelijke gemeente de kandidaat beroept volgt, na aanneming van dat beroep , bevestiging in het ambt. Een bevestiging in het ambt moet plaatshebben in het midden van de gemeente, in een kerkdienst en moet geworden uitgevoerd door de iemand die dat ambt zelf ook draagt. De voorwaarden bij aanvaarding van het ambt zijn kort samen gevat, binding aan het belijden van de Kerk en aan de Bijbel en binding aan de orde in de kerk en de plicht tot geheimhouding van wat vertrouwelijk aan de ambtsdrager wordt toevertrouwd. Het merkwaardige bij dit ambt van dienaar van het Woord is dat je er eigenlijk niet meer vanaf komt. Eens dienaar van het Woord blijf je dat tot de dood er op volgt. Je kunt wel van het ambt worden ontheven, als je je niet meer overeenkomstig de belofte die je gedaan hebt, gedraagt. Er is echter niet een normale beëindigingprocedure voor dit ambt. Na de tijd waarin je actief was bijv als gemeentepredikant wordt je emeritus, je ontvangt dan de rechten van het emeritaat en dat houdt in dat je dienaar van het Woord blijft . De praktijk is dan ook dat al laat je de toga in kast hangen, je dominee blijft en ook binnenkomende post voor mij is gesierd met de titel “ds” Onlangs kwam ik een oude buurman tegen : Hij had altijd de gewoonte met mij ( terwijl hij daarbij geheimzinnig glimlachte)te begroeten met: Eerwaarde! Ja, ja dat waren nog eens tijden . Ik maak mij als emeritus er nu druk over om tot een normale procedure te komen voor het beëindigen van het ambt van de dienaar van het Woord. Er is een tijd geweest in mijn leven , 38 jaar , dat ik geen ambt droeg , ik wil nu na 33 jaar gewoon ook weer ambteloos zijn. Dat blijkt niet eenvoudig te zijn. Ik wil wel theoloog blijven , dat wel.
Nog een keer de toga.Posted at 12:07 on 3/2/2010
Ik ben mij ervan bewust dat opmerkingen over geloven bijna altijd vervreemding oproepen bij mensen die geen deel hebben aan “geloven”. Ik kan mij de opmerking : Waar hebben ze het over? heel goed indenken. Het is mogelijk daarom ook wel om dat ik steeds weer de toga aantrok als ik voorging in een dienst. Ik beklemtoonde daarmee : ik ga nu praten als gelovige! Is dat dan anders praten dan gewoon praten Ik denk het wel. Je kunt het vergelijken met het maken van muziek. ( beeld van Karen Armstrong). Voor muziek maken is het nodig dat je een partituur leest. De bolletjes en de streepjes tussen en op de lijntjes zijn op zich niets, het wordt muziek als je noten en de maten en alles wat daarbij hoort gaat lezen en “ omzetten” in bewegingen /tonen. Er moet geïnterpreteerd worden. Het is volgens mij een feit dat niet ieder mens de geloofspartituur wil of kan lezen. Je kunt zeggen “wat zijn dat voor onzinnige bolletjes en streepjes, dat is abacadagra ,dit slaat nergens op ,dit zegt niks en er dan ook verder geen moeite voor doen om de tekens te doorgronden. Misschien is het ook wel zo dat niet ieder mens er aanleg voor heeft,dat zou kunnen. Je moet ‘net even anders’ kunnen en willen denken en redeneren als het over geloven als deel van spiritualiteit en levensbeschouwing gaat. Dat ‘ net even anders’ willen en kunnen denken en redeneren, levert in de praktijk van het leven veel problemen op. Maarten ’t Hart en vele anderen doen steeds weer hun best om duidelijk te maken dat mensen die geloven domme ezels zijn . Zij geloven wat er in de bijbel staat bijv. over de schepping en nog meer van die onzin. Hij eist ook van gelovigen dat zij de Bijbel letterlijk interpreteren, als ze dat niet doen dan zijn ze volgens hem het niet meer waard ‘gelovige’ genoemd te worden Als ik de toga aantrok was ik mij ervan bewust dat ik even apart ging staan om de geloofspartituur te vertolken .Ik ben niet een gelovige zoals Maarten ’t Hart wenst, ik ben een geseculariseerd mens, maar die wel weet heeft van de geloofsmuziek/partituur. Ik heb mij dat niet af laten nemen door alle golven van God is dood theologie /God bestaat niet enz heen. Achteraf denk ik , heb ik er toch goed aan gedaan om de toga aan te trekken . Ik zal hem nu “virtueel’ nog wel weer eens aantrekken als ik stukschijf als dit.
DoorgaanPosted at 15:23 on 2/2/2010
Zo denk ik er over !Posted at 10:58 on 1/2/2010
Het is even wennen om na 33 jaar de toga in de kast te laten hangen. Ja dat gebeurt na 31 december 2009, na 33 jaar voorganger in kerkdiensten te zijn geweest, Het begon op 3 Oktober 1976 in de Hervormde Gemeente te Oudwoude/Westergeest/De Triemen en Veenklooster. Ik werd toen bevestigd als predikant. Sindsdien heb ik in allerlei verschillende situaties de toga gedragen. Aanvankelijk wilde ik helemaal niet zo'n vreemd gewaad aan trekken. Ik vond dat je er door op afstand gezet wordt in een gemeenschap. Ik heb mij min of meer over laten halen door een ouderling, die ik heel erg waardeerde en die vond dat ik pas een echte dominee werd als ik een toga ging dragen. Na zoveel jaren, weet ik nog goed dat ik niets liever wilde dan " een echte dominee" zijn . Wij hadden er nog al wat voor over gehad om de wending in mijn leven voor elkaar te krijgen, Na 13 jaar studeren naast volledige werkkringen kon op 3 oktober 1976 aan een nieuw leven worden begonnen. Een van de belangrijkste zaken daarin in was preken maken en houden. Tot mei 2001 heb ik dat als gemeentepredikant gedaan en daarna ben ik als emeritus predikant daarmee doorgegaan.De uitdaging van preken maken en prekenhouden is dat er van je verwacht wordt dat "je iets te zeggen hebt" Dat is op zich genomen nog al aanmatigend.Wie ben je wel dat je dat meent te moeten doen. De toga heeft mij geholpen om die -' aanmatiging - te overwinnen. De toga gaf mij het gevoel dat ik door een gemeenschap op een plek was gezet om als nadenker, onderzoeker uitlegger en vertolker te functioneren van wat in de Bijbel op ons toekomt .Mensen komen in een kerkdienst en verwachten dat je als dominee je mond open doet. Binnen de ruimte van de toga, heb ik het 33 jaar aangedurfd om te zeggen : Zo denk ik er over ! Na 33 jaar is het bijna een tweede natuur geworden om dat publieke -zo denk ik er over zeggen- te beoefenen. Ik wil proberen via stukjes op de blog daar nog een tijdje mee door te gaan en daar begin ik nu mee op 1 februari 2010. Maar eens afwachten of er lezers komen! |
||||
![]() |